Writing

A selection of three short stories

‘Jonge Liefde’ won the prize for best short story at WriteNow!
Written in Dutch:

Jonge Liefde

 

Zijn klamme handen zijn het grootste obstakel van de avond. Niet alleen omdat ze straks zijn zenuwen kunnen verraden, maar ze maken het hem moeilijk zijn nieuwe blouse dicht te knopen. Hij heeft ook een nieuwe broek, schone sokken en zijn nette gympen aangetrokken. Hij wrijft zijn nog vochtige handdoek door zijn haar en gaat vervolgens met kammetje en gel aan het werk. Na een paar minuten bekijkt hij het resultaat in de badkamerspiegel. Het is veel te duidelijk dat hij er z’n best op heeft gedaan. Dus haalt hij vluchtig zijn klamme vingers door zijn haar voor de nonchalante look. Hij bestudeert de rimpels in zijn gezicht in een ander spiegeltje wat het beeld net iets dichterbij brengt.

Het zou na al die jaren toch niet meer zo moeilijk moeten zijn? Of op z’n minst minder spannend. Maar het is zelfs eng, een nieuw meisje. Het zal nooit wennen, nooit routine worden en altijd zijn hart zo hard doen kloppen dat al zijn ledenmaten er van trillen. Waarom doet hij het dan, telkens weer? Waarom kan hij niet gewoon uit een vliegtuig springen, dat lijkt hem ook spannend. Om te stoppen met denken overtuigt hij zichzelf van de gedachte dat de landing nooit zo zacht zou zijn als bij haar.
Tanden poetsen. Al is het alleen maar voor het frisse gevoel en om zijn nieuwe borstel in te wijden. Of als excuus om niet meer geobsedeerd aan haar zachte knieën te denken.

Het is het idee dat het ieder moment fout kan gaan. Dat maakt hem zenuwachtig. Hoewel de omstandigheden dit keer perfect zijn. Haar ouders zijn naar een feestje in Amsterdam. Dat is op z’n minst een uur rijden. Je gaat alleen een uur naar een feestje rijden als je er ook minstens anderhalf uur blijft. Dan nog een uur terug, ze hebben minstens drie en een half uur het rijk alleen. Hij zal de koning zijn in het prinsessen kasteel.
Hij poetst, spoelt en flost. Hij lacht naar zichzelf in de spiegel, maar het helpt niet. Hij voelt zich nog steeds niet de knappe, lieve jongen die hij zo graag zou willen zijn. Met een natte vinger brengt hij zijn borstelige wenkbrauwen in model.

Wat zullen ze gaan doen? Hij zou kunnen voorstellen een spelletje te spelen. Een bordspel, ganzenbord of zo. Dat houdt de sfeer luchtig. Wat drinken, iets snoepen, misschien nog even televisie kijken? Hij zou haar ook voor kunnen lezen. Iets uit z’n eigen boek, dat vindt ze vast leuk.
Hij smeert zijn handen in met Zwitsal. Dat heeft hij ergens op internet gelezen, het schijnt te helpen. De geur zou iets losmaken, een vertrouwd gevoel. Dan stommelt hij de trap af, pakt zijn tas, zijn boek en springt op de fiets. De adrenaline bonkt door zijn aderen. Hij zou wel willen racen maar dan zou al zijn frisheid in zweet opgaan. Dus, rustig blijven trappen.

Het huis is groter dan hij had verwacht. Bijna een echt kasteel. Aan de straatkant kan je zo naar binnen kijken door het grote huiskamer raam, maar dat wist hij al. Dat had hij allemaal al opgezocht op Google Earth. Zo weet hij ook dat het een vrijstaand huis is in een degelijke nieuwbouwwijk. Hij is goed op tijd, een paar minuten voor zeven zoals afgesproken. De zon staat laag aan de hemel en de hitte van de dag maakt plaats voor een koele zomeravond. Hij zet zijn fiets tegen het tuinhekje en veegt zijn handen droog aan z’n broek voordat hij op de bel zal drukken. Een trillende vinger beweegt zich richting de knop.
Hij denkt aan zijn eerste meisje. Hoe ze samen door de dierentuin hadden gewandeld en een tijd lang naar twee parende leeuwen hadden staan kijken. Hij had verwacht dat ze er later wel over zou beginnen, maar ze hadden er niet meer over gesproken. Het tafereel had een diepe indruk op hem gemaakt. Er zo naar te kijken, samen met haar. En het ijsje wat langzaam langs zijn vingers drupte. Later die avond gaf het hem een raar gevoel in zijn onderbuik, een onbeduidende opwinding.

De bel gaat. Hij houdt zijn vinger op de knop zonder dat hij daar erg in heeft. “Misschien vindt ze me wel stom”, denkt hij nog. Maar als hij het licht in de gang aan ziet springen vermant hij zich. Een blonde vrouw doet open. Ze heeft een strakke, zwarte jurk aan, rode lippenstift op en houdt haar pumps in haar handen. Ze is mooi, daar is geen twijfel over mogelijk. Hij glimlacht en schudt haar uitgestoken hand. Dan volgt hij haar naar binnen.

“Telefoonnummers hangen op de koelkast…”, begint de jonge vrouw.
Wat ze verder allemaal zegt, hoort hij niet meer. Want daar zit ze. Op haar stoeltje, voor de televisie. Helemaal ingeleefd in ‘Bassie & Adriaan op zoek naar de schat’, duim in haar mond. Ze wiebelt geconcentreerd heen en weer op het plastic, roze stoeltje waardoor haar rokje ver omhoog is gekropen en een Assepoester onderbroekje zichtbaar wordt. Assepoester staat ook op haar hemdje, wat hij direct kan zien omdat een truitje ontbreekt. Zijn klamme handen beginnen nu te gloeien en hij is bang dat de zweetdruppels er vanaf lopen. Ze is een sokje verloren, ze zal het wel koud hebben. Wat is ze lief. Mooi ook, adembenemend. Haar ongeschonden huidje en die grote onschuldige ogen. Ze geeft hem geen aandacht, ze kijkt niet eens naar hem. Geen probleem. Dat geeft hem rustig de tijd om haar te bekijken. Maar hij is niet rustig. Een onmiddellijke drang om haar aan te raken borrelt in hem naar boven. Haar zachte wangetje tegen zijn wang, haar gladde buikje tegen zijn harige borst. En haar knieën. Haar knieën.

“… En dan zijn we rond middernacht weer thuis.”
Hij knikt. De vrouw geeft haar dochtertje een vluchtige kus op haar wang.
“Lief zijn hè, Sophie?”
“Maakt u zich maar geen zorgen”, zegt hij.
“Wij vermaken ons wel.”

Annemiek van Elst, 11.2012

———-

Lege handen

 

In het café zitten twee mensen, een jongen en een meisje, zij net iets zenuwachtiger dan hij. De dikke gordijnen houden stof vast en het raam de versgevallen sneeuw. Het geschuif van de houten stoelen en tafeltjes combineert niet onaangenaam met het zachte jazzmuziekje. Af en toe een zachte tik of een scherpe kras van het bestek, wat bij binnenkomst al klaar staat op tafel samen met een peper- en zoutstelletje en een plastic bloemstukje. In het midden van de tafel staat een kaars, onaangestoken, met het kaarsvet nog om de lont. Sara speelt met de ring om haar vinger terwijl de handen van de jongen op tafel rusten. Ze kijkt naar buiten in de hoop dat er iets gebeurt zodat ze langer kan blijven kijken, maar het is stil in de besneeuwde straten. De jongen kijkt haar aan en staat op het punt om te zeggen dat ze mooie blauwe ogen heeft als de serveerster vraagt wat ze willen drinken. Hij bestelt een rode wijn, zij knikt instemmend. Wederom krijgt de jongen niet de kans haar te complimenteren want niet veel later wordt er voor beiden een glas ingeschonken en de menukaart getoond. Direct verdwijnen de twee tussen de voorgerechten, hoofdgerechten en desserts. De serveerster steekt de kaars aan. Als ze weg is, blaast Sara hem uit.

Jonathan was een jongen met een ontwapenende lach en wilde haren. Hij woonde bij Sara in haar eerste studentenhuis, haar tweede studentenhuis en niet veel later woonden ze samen in een appartement midden in de stad. Van studeren was niet veel gekomen want ze waren dol verliefd en zoiets kost nou eenmaal tijd. Desondanks stonden ze allebei op het punt hun scriptie in te leveren. Dit werd dagelijks gevierd met verschillende bedrituelen en eindeloze wandeltochten door het park. Ze hadden de tijd. Zij zou voor altijd naar zijn glimlach willen staren en door zijn haren willen woelen. Hij verdronk dagelijks in haar ogen en drukte dan zijn wang tegen haar wang uit angst dat ze zou zien dat hij verkleurde, ook al hield ze daar ook van. Ze zouden voor altijd samen blijven, dat was zeker.

De serveerster vraagt of ze al een keuze hebben kunnen maken. De jongen beslist dat ze er nog niet uit zijn. “Je hebt mooie ogen”, zegt hij als de vrouw weg is. Ze glimlacht, hij glimlacht terug. Hij is opgelucht maar Sara verontrust, zijn glimlach doet haar niets. Ze staart naar de menukaart en beseft dat ze helemaal geen honger heeft. Wat zou ze kunnen kiezen, opeten en binnen houden? De jongen wenkt de serveerster en bestelt een tournedos. Zij neemt salade, omdat ze nog steeds niet heeft kunnen kiezen wijst ze de bovenste aan. De serveerster schrijft alles op. “Oh, jullie kaarsje is uitgegaan”, ze pakt haar lange aansteker en laat het lichtje in het midden van de tafel weer branden. Als ze weg is, en de jongen even niet kijkt, blaast Sara het kaarsje uit.

De dag dat Jonathan en Sara 5 jaar samen waren moest groots worden gevierd. Niet dat er iemand voor uitgenodigd was, ze wisten niet eens of iemand zou weten dat het zo’n heuglijke dag was. Ze sloten zich op in hun appartement, alles moest dicht, ze mochten niet gestoord worden in hun samenzijn. Jonathan had het hele appartement gevuld met kaarsen, tientallen kleine lichtjes zorgden voor een groots effect. Sara was nog even in de badkamer bezig, het was geen relatie waarin ze zich na al die jaren liet verslonzen. Benen werden geschoren, haren opgestoken en lippen gestift. Zo was ze wel een tijdje bezig. Het verbaasde haar dat ze niets te horen kreeg van Jonathan. Geen ‘ik zou wel iets lusten…’ of ‘mijn boek is bijna uit’, misschien dat hij eindelijk begreep dat het tijd en moeite kostte om er zo uit zien.

“Ik vind het gezellig”, zegt de jongen. Het is ook een gezellige kroeg, maar Sara is allerminst vermakelijk gezelschap, dat weet ze zeker. Eigenlijk heeft ze geen idee waarom ze hier zit, waarom ze heeft ingestemd met deze afspraak. Ze wil naar huis. “Ik ook”, zegt ze. Samen zwijgen ze verder. Kopjes en schotels rammelen achter de bar, het gemaal van de koffiebonen bezorgt haar hoofdpijn. De jongen ziet dat het kaarsje uit is. Hij haalt een aansteker uit z’n broekzak en steekt hem aan. “Zo, nu is het helemaal af”, zegt hij. Het is het laatste wat ze kon gebruiken. “Ik ga even naar het toilet”, zegt Sara. Ze pakt haar tas en probeert rustig naar de achterkant van de bar te lopen. Hij kijkt haar na, zij sluit de deur van het damestoilet.

Sara wist dat ze haast moest maken. Nu liet ze haar geliefde wel erg lang wachten. Maar telkens als ze probeerde op te schieten leek alles nog langzamer te gaan, dus besloot ze rustig door te werken. Ze koos het zelfde parfum als bij hun eerste officiële date. Toen er niemand thuis was in het eerste studentenhuis en hij voor haar had gekookt. Eigenlijk was het van tevoren geen officiële date, dat werd het pas later. De volgende ochtend toen ze naast elkaar wakker werden in zijn eenpersoonsbed, precies krap genoeg. Ze hadden besloten het tegen niemand te vertellen, het was hun geheim. Het zou vreemd zijn om een stel te vormen tussen de gezellige groep huisgenoten. Helaas was het geheim van korte duur, want toen ze samen zijn kamer uitslopen richting de douche, zat de rest van het huis aan het ontbijt. Smoesjes hadden geen zin meer, want hun ogen verraadden een prille verliefdheid. De gedachte aan die eerste nacht maakte haar rouge overbodig. Een rare tinteling passeerde haar neusvleugels. Het was niet haar parfum. Het was een kringetje rook wat onder de badkamerdeur door kroop.

Sara zit muisstil op de wc. Ze is allang klaar, ze hoefde helemaal niet te plassen, maar nu durft ze de deurknop niet meer aan te raken.

Ze wilde de badkamerdeur open doen, maar de aanraking van de deurknop voelde als een kookplaat die te lang heeft aangestaan. Tijd om te gillen had ze niet, plots hoorde ze een knetterend vuur vanuit de woonkamer. “Jonathan!”, maar ze kreeg geen antwoord. Hij zou haar hier toch niet zomaar laten zitten… Dat zou hij nooit doen. Ze trok de vochtige handdoek van het rek en zwaaide de deur open. Een hete vuurzee greep naar haar gezicht. Ze draaide zich om, zette de kraan aan en greep de douchekop om het vuur te blussen, zonder resultaat. “Jonathan! Waar ben je, Jonathan!”

Er wordt op de deur geklopt. “Gaat het goed, mevrouw?”. “Alles oké”, liegt ze.

Haar geliefde was nergens te bekennen. In blinde paniek rende ze het appartement door. Hij kon niet weg zijn. Toen zag ze zijn gympen staan voor de slaapkamer. Zonder nadenken vloog ze naar binnen. Jonathan lag op bed, met zijn gezicht in het kussen gedrukt. Ze draaide hem om en rammelde hem door elkaar, haar verwarmde tranen vielen op zijn gesloten ogen. Ze probeerde hem omhoog te tillen, maar zijn rustende lijf was te zwaar. Zijn lichaam had een treffende gelijkenis met een zak vla. Ze voelde de warmte van het vuur in haar rug en zag het nachtkastje in brand slaan. Plots pakte hij haar arm. Ze hoopte een teken van leven te vinden in zijn mooie gezicht, maar tijd om te zoeken had ze niet. Zijn lichaam gaf mee en dat was voor nu alles wat ze nodig had. Zijn hand, stevig om haar arm geklemd. Ze trotseerde het vuur in de woonkamer en in de hal, ze voelde het branden op haar huid. Beiden maakten geen geluid, ze waren te druk bezig met overleven. Buiten loeiden de sirenes, het zwaailicht maakte geen indruk op de vlammen binnen het huis. “Het is hier”, schreeuwde de bovenbuurman op de gang. Sara wankelde op haar benen en snakte naar adem tussen de dikke rookwolken. Geluk was zijn hand, stevig om haar arm geklemd.

Ze kijkt om het hoekje van de toiletdeur en ziet haar date rustig wachten aan de tafel. Zijn vingers vliegen over het toetsenbord van zijn telefoon, vast een vriend op de hoogte aan het houden. Ze loopt de openstaande deuren van de keuken binnen, eerst heeft niemand haar in de gaten maar als snel komt er iemand op haar afgelopen en vraagt haar de ruimte te verlaten. Geen uitvluchtmogelijkheid. Ze heeft geen andere keus dan terug op date te gaan. Als ze weer zit, ziet ze dat het eten op tafel staat. “Eet smakelijk”, zegt de jongen. Ze weet dat ze niets door haar keel krijgt, maar prikt in haar salade alsof ze een goede hap bij elkaar sprokkelt. Ze slikt haar tranen weg en probeert aan iets anders te denken. Ze speelt met haar ring terwijl ze naar buiten kijkt. Dan voelt ze een warme hand op haar hand. Ze verstijft en durft haar date niet aan te kijken. Gewoon wachten. Dan gaat hij vanzelf weer weg. Haar blouse plakt aan haar rug, de date wijkt niet terug. “Hé, gaat het wel?”, zegt hij met een zachte stem. Hij knijpt eventjes in haar hand. Dan glijdt zijn hand naar boven. Ze voelt hem over haar arm glijden, het verlamt haar, ze kan niet bewegen en niet schreeuwen. Haar blouse schuift omhoog, zijn hand volgt. Dan trekt hij zich terug, plotseling, eindelijk. “Jezus!”. Ze trekt haar arm weg maar het is duidelijk al te laat. Zijn ogen kijken niet meer in haar mooie ogen. Ze kijken naar haar verbrande arm. De verfrommelde, rode huid, de littekens. Maar vooral naar de afdruk van een hand, een plek midden op haar arm waar de huid nog heel en gaaf is. Een hand die haar huid daar beschermde. “Sorry”, zegt het meisje. Ze trekt haar jas aan en legt vluchtig een briefje van twintig op tafel. Dan koelt ze haar gedachte in de grote, witte wereld.

In het café zit een jongen. De serveerster brengt hem de rekening.

 

Annemiek van Elst, 04.2013

———-

Nummer 35a

 

1. Oscar

Het is een meest opmerkelijke avond. Uit een kier van het raam dwarrelt de zomerhitte naar binnen en bedekt de gehele ruimte met een benauwdheid die alleen de maand augustus kent. Tegelijkertijd klettert de regen tegen de ruiten. De kamer wordt verlicht door de straatlantaarn die pal onder het raam van de eerste verdieping staat te schijnen. Het felle licht maakt het stof op de hardhouten vloeren zichtbaar. Ik veeg de tranen van mijn wangen. Het afgelopen uur waren ze onophoudelijk uit mijn ogen gestroomd en nu had ik er genoeg van. De leegte van mijn huis is een onontkoombaar feit en een schraal gezicht zou er niets aan veranderen. Ik neem de verrekijker uit de glazen kast. Met mijn armen leun ik voorzichtig op de vensterbank. De verf bladdert er vanaf en valt naast mijn blote voeten op de vloer. Ik knijp de laatste tranen uit mijn ogen en tuur naar het huis aan de overkant van de straat, in de kamer van mijn overbuurmeisje. De witte gordijnen van haar slaapkamerraam laten net genoeg licht door zodat ik haar silhouet kan volgen. Terwijl ze haar blonde haren kamt, poseert ze voor de spiegel als een filmster uit de jaren ’50. Haar smetteloze, beige kamer is een andere wereld waarin ik zou willen leven. Ze geeft kushandjes aan denkbeeldige fans. Ik ben haar stille stalker en ze heeft geen idee. Ik zie hoe haar deur open gaat en het hoofd van haar vader verschijnt. Vijf minuten later doet ze het licht uit en is de show voorbij.
Ik wil wel slapen maar het lukt niet. Ik kan mijn ogen niet sluiten voor wat er zich ’s nachts afspeelt in de Dr.Nolensstraat. Mijn moeder zei vroeger dat ik mijn neus niet in andermans zaken moest steken. Het gluren door mijn verrekijker is iets wat ze altijd heeft afgekeurd. Maar begluren is een denigrerende term voor het werk wat ik nacht na nacht verricht. Patrouilleren, de menselijke beveiligingscamera, de agent zonder wapen. Als ik niet op mijn vaste plek zou zitten zou ik me ernstig zorgen maken over mijn overbuurmeisje. Want zodra het licht boven uit is, gaat het licht in de kelder aan. Ik heb maar half zicht op de praktijken van Meneer Besson. Slechts een deel van het raam komt boven de straat uit, de andere helft blijft verborgen onder de grond. Zo kan ik nauwelijks iets zien, behalve af en toe het bezwete topje van het hoofd van Meneer Besson, die hij afneemt met een vieze doek. Zorgwekkender zijn de geluiden die uit dit hok vandaan komen. Een scherp krassen, spijkers die met volle kracht door het hout worden geslagen en af en toe een vreemd geborrel. De laatste tijd zijn er lichtflitsen die voor een kort moment de natte straat verlichten. Ik kan geen andere conclusie trekken: meneer Besson is iets aan het bouwen.

 

2. Olivia

Om vijf over twaalf, net na middernacht, schuift het gordijn aan de overkant van de straat een stukje opzij en verschijnen twee donkere kijkers voor het raam. Ik doe net alsof ik hem niet zie. Maar ondertussen kijk ik hem diep in de ogen terwijl ik mijn haren kam in de spiegel. Alleen daar waar ik mijn eigen gezicht kan bekijken is het mogelijk om ook een glimp van hem op te vangen. Het is mijn best bewaarde geheim. Op een avond zal vader aankloppen maar geen antwoord krijgen. Hij zal even wachten en dan toch naar binnen gaan in de verlaten kamer. Het raam zal op een kier staan en de witte gordijnen zullen naar binnen wapperen, net als in de film. Zijn dochter is ontvoerd door haar bewonderaar. Meegenomen naar een klein Italiaans dorpje waar de tuinen minstens zo groot zijn als de huizen. Eindelijk zullen we samen zijn. Zijn verrekijker zal hij thuis laten omdat hij mij daar, in het licht van de maan onder de druivenstruiken, goed zal kunnen zien met zijn blote ogen. Tot die tijd zal ik mijn haren kammen en mijn lippen stiften in de spiegel. En geniet ik stilletjes van zijn aanwezigheid in mijn dromen. Vader klopt op de deur. “Ja?”, zeg ik zacht. Zijn bezwete hoofd verschijnt in de deuropening, “Het is twaalf uur geweest…”. En weg is hij.
Mijn antwoord hoeft hij niet meer te horen. Zo gaat het al tijden. Sinds hij een paar weken geleden het eerste pakketje heeft ontvangen, lijkt mijn vader steeds verder weg te zakken, steeds vaker af te dalen naar de kelder. Hij heeft weinig vrienden, maar krijgt veel post. Zijn werkkamer heeft een slot op de deur. Het Espressoapparaat draait overuren. Zijn bezwete gezicht vertoont steeds minder emoties. Hij kan zo star voor zich uitkijken dat ik er soms een beetje bang van word. Sinds een week noemt hij me niet meer bij mijn naam, zelfs niet als ‘zijn Besson’ het hoogste cijfer heeft gehaald voor Frans. Ik durf hem niet te vragen of er iets scheelt en heb daarom geen andere keus dan me er bij neer te leggen. Zo ook vanavond, ik doe het licht uit en kruip in bed, hopend op een droom over mijn bewonderaar.

 

3. Meneer Besson

Mijn huid tintelt van trots. In deze stoffige kelder heb ik het klaargespeeld. Het is alsof ik een stukje geschiedenis opnieuw heb opgebouwd en de gedachte dat het ieder moment tot leven zal komen is kort gezegd verrukkelijk. Zachtjes streel ik de rechter pilaar, de aanraking van mijn werk bezorgt me kippenvel. Uit de ondergrond steekt een spijker. Dat heb ik expres gedaan, zodat ik officieel de laatste hand aan mijn kunstwerk kan leggen. Eerst koffie, de waterkoker borrelt. Als ik boven het Espressoapparaat aan zou zetten zal ik mijn dochter zeker wakker maken. Dat is allerminst de bedoeling, dus heb ik een nieuwe waterkoker aangeschaft en deze beneden in mijn werkruimte geplaatst, samen met een bus oploskoffie. Het hete, zwarte goedje spoelt door mijn lichaam. Ik voel nauwelijks dat het mijn tong brandt.

Met een vochtige doek veeg ik de kringen van mijn werktafel. Vervolgens haal ik de doek over de machine. De ondergrond, de pilaren, de hoofdsteun, ik volg de lijnen van beneden naar boven. Voor het snijvlak pak ik een droge doek, om roest te voorkomen. Nog even had ik getwijfeld of ik het van roestvrij staal zou maken, maar dat zou het slijpen bemoeilijken en ik zou veel duurder uit zijn. Daarbij heb ik al veel tijd en geld verloren met het maken van de opvangblokken. Dat was nodig om het geluid van de val van het mes te kunnen dempen. Geen tijd om te piekeren of te stressen, paniek is het laatste wat ik kan gebruiken. Met mijn mouw veeg ik de zweetdruppels van mijn voorhoofd, het laat een natte plek achter op mijn toch al vieze blouse. Ik adem een paar keer diep in en uit en eindig in een grote glimlach. Mijn gereedschap zal ik niet meer hoeven te bevuilen, geen materiaal meer te bestellen, geen vragen meer te beantwoorden, het maakt het beest in me los. Het is tijd voor het echte werk. Even nog geniet ik van de stilte, hoe de regen door de straten stroomt alsof het de laatste sporen uit moet wissen. Hoe de wind fluistert: “Liberté, égalité, fraternité!”. Ik pak de hamer en sla met een machtige knal de laatste spijker in mijn machine.

 

4. Het raam

Plots gaat het licht in de kelder uit. Het is nog maar net middernacht, normaal is meneer Besson nog zeker twee uur bezig zijn. Oscar doet zijn best om toch nog iets te kunnen zien in het donkere gat, maar het is verspilde moeite. Misschien is dit een teken dat hij maar eens naar bed moest gaan. Maar net als hij de verrekijker terug in de glazen kast wil zetten, springt het licht aan op de kamer van zijn overbuurmeisje. Oscar twijfelt niet lang, neemt weer plaats voor het raam en duwt de gordijnen een stukje opzij. Hij schuift de verrekijker ertussen, zijn wimpers knipperen tegen de rand van de kijkers. Eerst ziet hij een lange tijd niets. Alleen een lege meisjeskamer en de spiegel tegen de achterwand. Tot een gedaante vanuit de linkerhoek van de kamer verschijnt. Het silhouet is te grof om die van zijn overbuurmeisje te zijn. De gedaante beweegt zich richting de spiegel, leunt met zijn grote handen op de kaptafel en bekijkt zichzelf. Het is haar vader, Meneer Besson.

Hij veegt met de mouw van zijn blouse langs zijn hoofd en wrijft met zijn vingers in zijn ogen. Voor een kort moment ziet hij een gelijkenis tussen Meneer Besson en zijn dochter: die blik in de spiegel.

Misschien moet hij stoppen met kijken en zit zijn patrouille er op voor vandaag. Hij haalt de verrekijker vlug van het raam. In zijn hoofd hoort hij zijn moeder roepen dat hij zich met zijn eigen zaken moet bemoeien, dit is een goed moment om daar naar te luisteren. Maar dat kan niet, want hij maakt zich nu al verschrikkelijk zorgen over zijn overbuurmeisje. Voorzichtig schuift hij het gordijn weer opzij. Plaatst de verrekijker. Brengt zijn ogen richting de kijker. Zijn hart bonkt. Hij voelt het bloed door zijn aderen kolken. Zijn vochtige handen maken het hem moeilijk het beeld scherp te stellen. Aan de overkant van de straat, in het raam van de tweede verdieping, staat Meneer Besson. Hij heeft de witte gordijnen wijd open geschoven en kijkt naar de overkant. Oscar ziet de zweetdruppels op het voorhoofd van Meneer Besson. Ze rollen langs zijn nek, over zijn borsthaar, zijn vieze blouse in. Hij beweegt niet, hij staat daar maar. Hij kijkt hem strak aan, zodat Oscar zich niet kan vergissen. Meneer Besson ziet hem. Een warme gloed kruipt over zijn rug en hij vergeet bijna zijn verrekijker vast te houden. Als een bange haas duikt Oscar onder de vensterbank. Daar zit hij een tijdje, uit te hijgen. Dan tijgert hij vlug over de houten vloer en stopt de verrekijker in de glazen kast. Zijn hart horen bonkt tegen zijn borstkas. Op zijn knieën kruipt hij naar de deur en draait het slot dicht. Daar blijft hij zitten, half onder de wastafel, de wacht houdend in zijn eigen slaapkamer. De gordijnen voor zijn raam blijven gesloten.
Het zal zijn laatste patrouille zijn geweest. Beneden gaat de deurbel. Hij had naar zijn moeder moeten luisteren.

 

Annemiek van Elst 06.2014

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *